de axenroos

Start
de kleuterschool
de lagere school
alfabetisch zoeken
onze schoolvisie
ouderwerking
even praktisch
schoolbestuur
kalender
de leerkrachten
het C.L.B.
links
fotoalbum
geschiedenis

De axenroos is een manier om de gedragingen van mensen te ordenen.  In die roos is niet alleen de plaats belangrijk ( pauw, uil, ...) maar vooral ook de onderlinge relaties. ( wisselwerking pauw/ wasbeer - leeuw/kameel ...)
Iedereen heeft eigenschappen van ŕlle dieren in zich of zou die althans moeten hebben, want mensen zijn pas sociaal-vaardig als ze alle axen kunnen bewandelen, m.a.w. als ze zich kunnen aanpassen aan ‘de andere’.

Er kan slechts worden ‘gegeven’ als er iemand is die wil ‘krijgen’.
bv. een baby lacht pas als er iemand is om naar te lachen.

We kunnen bij mensen ontelbare gedragswijzen zien, waarmee ze wel of niet in contact komen met een ander.
De bedoeling van de "axen" is al deze gedragswijzen in enkele grote categorieën onder te brengen.

Ax = relatiewijze in aanleg. ( = de mogelijkheid bij een mens om in relatie te treden)

Alle relatiewijzen worden samengevat in een 10-tal hoofdrelatiewijzen en dit wordt dan gesymboliseerd door 10 dieren, die we op een roos situeren.  Dit noemen we dan de axenroos.

Sociale vaardigheden aanleren, doe je niet zomaar van vandaag op morgen. Het is een langzaam-aan-actie. Het is ook geen ‘vak’ op zich.

Met het voorbeeld van de totemdieren bij de axenroos, krijgen onze kinderen beelden en woorden om hun gedrag te benoemen. Ze leren zichzelf beter kennen. Leren conflicten helder bespreken. Ze leren dat al deze types van gedragingen goed zijn. Ze leren ook zien wanneer ze de relatiewijze gepast of ongepast gebruiken.

De tien axen op een rijtje:

 

PAUW

zich tonen, eigenheid, persoonlijk laten zien, aanwezigheid (bijzijn) aanbieden.

De pauw laat zijn mooiste veren zien. Hij durft ook de minder fraaie achterkant van zijn veren laten zien. Een kind dat zich gedraagt als een pauw, toont zich, stapt naar anderen toe, neemt contact op, biedt zich aan om te spelen. Het kan uitspreken waar het goed en minder goed in is, wat zijn kwaliteiten en tekortkomingen zijn. Het kan eigen veranderingen, gevoelens, meningen meedelen aan anderen.

 

 

WASBEER

waarderen, respecteren, openstaan voor de ander, vragen om te laten zien.

 

 

Een wasbeer heeft zwart omrande oogjes, waardoor het lijkt alsof hij een brilletje draagt om beter te kunnen zien. Hij kruipt het liefst wat hogerop zodat hij alles nog beter kan aanschouwen. Een kind dat zich gedraagt als een wasbeer, geeft aandacht aan de anderen, luistert naar wat de ander te vertellen heeft, uit zijn waardering, nodigt anderen uit om mee te spelen.

BEVER

zorgen, diensten aanbieden, iets schenken

 

Bevers leven jarenlang in een hecht familieverband. Het zijn bovendien noeste werkers; als dammenbouwers zorgen zij voor een aangepaste biotoop voor heel wat andere dieren. Een kind dat zich gedraagt als een bever, staat klaar om te helpen, om op te ruimen, om een ander een plezier te doen. Het deelt snoepjes en/of andere bezittingen met de anderen.

 

 

 

POES

genieten van aangeboden diensten en goederen, zich laten bedienen, vragen om verzorgd te worden.

Een poes vraagt om geaaid te worden. Ze begint te spinnen en te ronken als je haar vertroetelt. Een kind dat zich gedraagt als een poes, kan om hulp vragen, kan ervan genieten als anderen hun hulp aanbieden. Het is dankbaar voor wat het aangeboden krijgt (snoepjes, cadeautjes, een helpende hand...).

LEEUW

leiden, geven van informatie en richtlijnen, voorstellen doen, raad geven ...

De leeuw is de koning van de dieren. Hij weet altijd raad en wijst de weg. Hij neemt stevig de leiding in handen. Een kind dat zich gedraagt als een leeuw, kan uitleggen hoe een spel in elkaar zit, geeft duidelijke richtlijnen, geeft informatie aan derden, doet voorstellen, geeft advies...

 

KAMEEL

volgen, aannemen van richtlijnen en informatie, raad of uitleg vragen

De kameel is een volgzaam woestijndier, hij loopt mee in de karavaan. Hij gehoorzaamt en draagt alle lasten zonder zeuren. Een kind dat zich gedraagt als een kameel, voert een gegeven opdracht uit, vraagt om uitleg, zoekt informatie op, vraagt raad. 

 

HAVIK

aanvechten, confronteren, bekritiseren

Met zijn scherpe blik spiedt de havik van hoog in de lucht de omgeving af, speurend naar wat lelijk, vals of slecht is. Als hij iets opmerkt, duikt hij naar beneden en grijpt met zijn krachtige klauwen en scherpe snavel naar zijn prooi. Een kind dat zich gedraagt als een havik, kan aanwijzen wat fout loopt of onjuist is. Het heeft een kritische blik en deinst er niet voor terug onrechtvaardigheden aan te vechten. Het stelt kritische vragen om te toetsen of er in  datgene wat aangeboden wordt geen onjuistheden of fouten te ontdekken zijn.

 

STEENBOK

weerstaan, zich verdedigen, afweren

Een steenbok zet zich schrap op zijn rots; hij laat er niemand anders toe. Wie te dichtbij komt, riskeert  een stevige kopstoot. Een kind dat zich gedraagt als een steenbok, kan zijn terrein afbakenen. Het kan weerstaan aan eisen van anderen. Het zal hulp weigeren voor taken die het zelf aankan. Het laat zicht de 'goederen' die het niet wil aannemen in geen geval opdringen.

 

 

UIL

houden, zich terugtrekken, zwijgend toekijken, geheim bewaren

Vanonder zijn halfgesloten oogleden ziet de uil wel wat er onder hem gebeurt, maar hij laat gebeuren. Hij houdt zijn snavel toe; zijn geheim blijft bewaard. Een kind dat zich gedraagt als een uil, wil soms eens alleen zijn, het blijft op afstand. Het kan informatie voor zich houden. Het wil niet altijd hulp bieden, wil niet overal aanwezig zijn, vertelt weinig over zichzelf.

 

SCHILDPAD

lossen, ondergaan

Wanneer ze bang is, verdrietig of moe, trekt de schildpad zich kwetsbaar terug in haar schild. Ze zegt niet ja of niet nee als je haar benadert. Kiezen valt haar moeilijk. Een kind dat zich gedraagt als een schildpad, is onzeker, twijfelt, weet niet wat te doen. Het durft hier ook voor uitkomen. Het durft toe te geven dat het bang en moe is, en dat het iets niet kan of iets fout gedaan heeft.

 

Even iets meer achtergrond:

Ontwerper van de axenroos is F. Cuvelier.  Met de term "ax" bedoelt hij: het vermogen om zich op een bepaalde wijze relationeel te gedragen. Op basis van jarenlange observatie en van verschillende taxonomiëen kwam hij tot een ordening van de interacties die zich tussen mensen afspelen. Die uitwisselingen benadert hij vanuit drie invalshoeken:

1. De relatiewijzen, dus de manier waarop de uitwisseling gebeurt. De axenroos omvat zes relatiewijzen: aanbieden, aannemen of vragen en geven, aanvechten, weerstaan, houden en lossen.

Erika komt naar school met een zak snoep. Tijdens de pauze biedt ze die aan aan haar klasgenootjes. Ze zou hem natuurlijk ook voor zichzelf kunnen houden. Rik neemt de aangeboden snoep aan en bedankt ervoor, maar Greta neemt hem niet aan, ze weigert omdat ze die snoep niet lust (weerstaan). Willeke twijfelt of zij die al dan niet zal aannemen (lossen). Pieter reageert nog anders. Zijn kritiek luidt: "snoepen is ongezond".

De uitwisseling is harmonisch wanneer de ene iets aanbiedt en de ander het aangebodene aanneemt of wanneer iemand iets vraagt en de ander hem het gevraagde geeft. Aanvechten en weerstaan horen daarentegen thuis in de conflictzone. Ten slotte is het ook mogelijk dat de partners zich in het houden en/of het lossen bevinden. Tussen hen ontstaat eerder een verwijdering dan een toenadering.

2. Datgene wat uitgewisseld wordt. In de axenroos spreken we van 'inzetten'. Mensen wisselen niet alleen goederen uit, maar ook diensten, informatie, richtlijnen, iets persoonlijks en bijzijn.

3. De communicatiekanalen. Woorden maar ook gebaren, lichaamstaal, intonatie spelen een belangrijke rol bij uitwisselingen. We weten allemaal dat een 'ja' op veel manieren uitgesproken kan worden en wel eens als een 'neen' gehoord wordt. Een gebalde vuist of een schouderklopje hebben soms meer effect dan een lang betoog.

Door de combinatie van die drie componenten krijgen de coacten (de gedragingen waardoor een mens effectief iets doet ten opzichte van een andere mens) een plaats op een plattegrond van menselijke relatiewijzen. De axenroos is de reductie van die interactiematrix. Voor kinderen van de basisschool herleiden we de axenroos tot tien axen. Elke ax stellen we met een diersymbool voor, zodat zeer jonge kinderen inzicht kunnen krijgen in de tien axen.

 
De tien axen:
1. Zich presenteren
(de pauw): persoon en bijzijn aanbieden.
Tijdens een kringgesprek vertelt Mieke over haar hobby's en haar vakantieplannen. David is iemand die gemakkelijk naar anderen toestapt en contacten legt.
2. Opkijken, waarderen (de wasbeer): persoon en bijzijn aannemen.
Wannes spreekt met veel lof over zijn opa. Marleen nodigt regelmatig vriendinnetjes thuis uit.
3. Zorgen (de bever): diensten en goederen aanbieden.
Op het einde van een les beeldopvoeding helpt Anneleen spontaan bij het opruimen. Toon zou eerder teveel weggeven, de leerkracht moet hem af en toe een beetje afremmen.
4. Genieten (de poes): goederen en diensten aannemen of vragen.
Petra laat zich graag helpen en knuffelen. Wanneer Pol een geschenkje krijgt, geniet hij er zichtbaar van. Jurgen vraagt spontaan hulp als hij iets niet kan.
5. Leiden (de leeuw): richtlijnen en informatie aanbieden.
Nadine is sterk in wiskunde, ze geeft vaak uitleg aan wie een opdracht niet begrijpt. Herman neemt de leiding bij een groepsopdracht. Bert is eerder te bazig.
6. Volgen (de kameel): richtlijnen en informatie aannemen of vragen.
Carl is een gehoorzame jongen, hij doet zijn best om elke opdracht plichtsgetrouw uit te voeren. Eveline stelt regelmatig vragen tijdens een les wereldoriëntatie.
7. Houden (de uil): bijzijn, persoon, diensten, goederen, richtlijnen en /of informatie houden.Els speelt graag alleen. Jan kan heel goed een geheim bewaren. Tim vertelt niets over zijn familie.
8. Lossen (de schildpad): bijzijn, persoon, diensten, goederen, richtlijnen en/ of informatie lossen.
Leen laat zich soms pesten. In plaats van zich te verdedigen begint ze te huilen. Kristien haakt af wanneer een lesinhoud haar niet langer boeit.
9. Aanvechten (de havik): bijzijn, persoon, diensten, goederen, richtlijnen en/of informatie aanvechten.
Katrien wijst op een fout op het bord. Karel geeft Monica een duw: hij wil ook een plaats in de kring.
10. Weerstaan (steenbok): bijzijn, persoon, goederen, diensten, informatie en/of richtlijnen weerstaan (zich verdedigen). Vicky laat niet toe dat Kristof haar een kus geeft. Anthony weigert een huistaak te maken.